Mijn De Witte

Een dodelijk duel om een vergeten groet

20 augustus 2026

Jeronimus van Pelt

“Het duel tussen Leyssius en Van Outhoorn (zie verhaal hieronder) hebben we in een beeld vertaald naar het heden. De opschudding en ontzetting over dat duel toen is ook nu nog steeds voelbaar als we het moment reconstrueren. De speelsheid van deze blik doet niets af aan de ernst van deze geschiedenis en relativeert op geen manier het onnodige en ongepaste geweld, toen niet en nu niet. Het is moeilijk voorste stellen hoe dat moet zijn, af te spreken met iemand om te vechten, mensen uit te nodigen voor bijstand, het toevallige gade slaan als voorbijganger. Met opzet zijn de acteurs in de foto jong, om de onbevangenheid en de onschuld en misschien wel naïviteit te laten zien die komt met onderschatten van geweld en de gevolgen ervan. De plek die we kozen voor de reconstructie is de Bloedheuvel in het Haagse Bos, die zo heet omdat dergelijke scenes daar vaker plaatsvonden. Het is een gekke gedachte dat nog niet zo lang geleden mensen meenden zo hun ruzie te kunnen hebben. Het is moeilijk voor te stellen dat dat kennelijk acceptabel was. Ik denk dat de foto die verwondering ook uitdrukt.”

Jeronimus van Pelt

Het is kermisweek in Utrecht, 1796, als publieke aanklager mr. M.F. Banens wordt weggeroepen van een afspraak met ambtenaar-auteur C.J. Nagtglas. Als hij later, bleek en ontsteld, terugkeert, zegt hij: “Er is vanmiddag een groot ongeluk gebeurd. De heer François Nicolaas van Outhoorn heeft onze vriend Willem Arnoud Leyssius in een duel doodgestoken.” De reden voor het tweegevecht blijkt ronduit banaal.

Geen goedendag

De heren in kwestie, Van Outhoorn en Leyssius, komen beiden uit welgestelde families. Ze zijn beide lid van de conservatieve Sociëteit van Willem Barkmeijer, later bekend onder de naam ‘Sic Semper’, gevestigd op de hoek Trans/Nieuwegracht in Utrecht.

Volgens de uitgebreide getuigenverklaring van hun gezamenlijke vriend Leonardus Franciscus van den Broek, spreekt Leyssius hem op dinsdag 19 juli 1796 om acht uur ’s avonds in de Sociëteit aan. Hij vertelt hem over een geschil met Van Outhoorn, die zijn groet niet beantwoordde bij de ingang van de voorstelling in de Franse komedie op het Janshof de avond daarvoor. Toen Leyssius hem hierop aansprak, antwoordde Van Outhoorn met: “Ik heb je toch geantwoord, en wat zou het als ik dat niet had gedaan?”. Waarop Leyssius zei: “Dan kun je de bliksem krijgen.” Waarop Van Outhoorn laconiek reageerde met: “Ja, ja, het is goed met u.” Na deze woordenwisseling nam Van Outhoorn zijn plaats in de komedie weer in, maar Leyssius was nog niet klaar met hem en tikte hem opnieuw op de schouder met het verzoek even mee naar buiten te lopen. Daar gaat hij opnieuw tekeer tegen Van Outhoorn, maar die laat hem weten dat hij de dame die hij vergezelt niet in verlegenheid wil brengen: “Het is beter dat ik u morgenvroeg spreek.”

Van Outhoorn is echter vergeten dat hij zijn broer en zus op bezoek krijgt die dag. Daarom vraagt hij hun gezamenlijke vriend Van den Broek de volgende dag om deze boodschap aan Leyssius over te brengen.

Confrontatie

Als Van de Broek langsgaat bij Leyssius om de boodschap over te brengen, is Van Outhoorn daar ook net geweest. Hij had beide heren graag allebei gezien om de ruzie te sussen en hen uit te leggen “dat de één de ander niet goed gehoord heeft, en de ander niet hard genoeg geantwoord heeft.” Vervolgens begeeft hij zich naar de sociëteit, waar hij met een lid heeft afgesproken om tot etenstijd ‘een partij te maken.’ Om kwart over één komt zijn knecht hem vertellen dat Leyssius hem voor de deur van de sociëteit opwacht in zijn sjees. Leyssius vraagt hem of hij een stukje met hem wil gaan rijden. Van den Broek heeft er niet veel zin in, maar laat zich toch overhalen. Eenmaal onderweg, zegt Leyssius dat hij thuis iets moet ophalen. Bij zijn terugkeer in de sjees merkt Van den Broek op dat Leyssius iets onder zijn rok verborgen houdt, maar hij heeft geen idee wat. Onderweg laat Leyssius weten dat hij langs Van Outhoorn wil gaan. Van den Broek raadt hem dit ten sterkste af, maar Leyssius houdt voet bij stuk. Aangekomen bij het huis van Van Outhoorn, vraagt Leyssius zijn vriend even te wachten, maar deze weigert en gaat mee naar binnen om opnieuw te bemiddelen. Hij stelt voor het misverstand tijdens de kermis bij wijn en wafels bij te leggen. Leyssius weigert met de woorden: “Dat verdom ik, om de zaak zo af te doen.”

Van Outhoorn die niet wil niet dat zijn broer en zus in de andere kamer iets van het conflict meekrijgen, stelt voor om naar de bovengelegen verdieping te gaan om daar het gesprek voort te zetten. Op de trap naar boven, stopt Leyssius Van den Broek. “Wees nu niet zo indiscreet Van den Broek. Ik moet Van Outhoorn alleen spreken. Ik moet hem iets zeggen dat u niet mag weten.” Van den Broek blijft achter en ziet van enige afstand dat Leyssius en Van Outhoorn druk met elkaar fluisteren, maar krijgt niets mee van hun gesprek.

Excuses

Vervolgens nemen Leyssius en Van den Broek weer plaats in de sjees. Tot Van den Broeks verbazing rijden ze naar de buitenplaats Oudwijk, buiten de stad. Hij vermoedt, niet ten onrechte, dat Leyssius ‘gekheid in het hoofd heeft.’ Daar aangekomen, fluistert Leyssius iets tegen de koetsier, die onmiddellijk vertrekt. Leyssius legt Van den Broek uit dat Van Outhoorn hem eerder die dag tijdens zijn bezoek, vertelde hem dat hij niet kon rijden “omdat zijn paard dood was, en dat zijn degen bij de zwaardveger was.” Leyssius had hem geantwoord: “dat zijn maar kale excuses, ik zal je mijn sjees sturen zenden en ophalen.”

Van den Broek probeert tijdens dit gesprek alles om Leyssius alsnog van zijn voornemens af te brengen. Hij omhelst zijn vriend en valt voor hem op zijn knieën, maar het mag niet baten. Leyssius legt hem uit dat “De hele wereld niet in staat is om mij ertoe over te halen.” Dit was niet het eerste conflict dat hij had met Van Outhoorn. Eerdere geschillen waren door gemeenschappelijke bekenden gesust, maar ditmaal weigerde hij zich te laten tegenhouden.

Het duel

Wat Van den Broek ook probeert, Leyssius houdt voet bij stuk. Hij moet en zal genoegdoening krijgen, tot wanhoop van Van den Broek. Hij vertelt Leyssius: “Als ik u niet op andere gedachten kan brengen en u toch wilt vechten, dan ga ik weg.” Leyssius verzoekt hem dringend om aanwezig te blijven, want hij vertrouwt Van Outhoorn niet. “Doe dat toch niet, ik ken Van Outhoorn zijn karakter. Hij is een vals mens, ook al hebben we op zijn kamer afgesproken geen secondanten mee te nemen. Hij kan echter iemand omgekocht hebben om buiten te komen en mij verraderlijk te overvallen.”

Inmiddels is Van Outhoorn ter plekke gearriveerd. Hij loopt op Van den Broek af, die opnieuw een verzoeningspoging doet: “Ik kan niet begrijpen dat men over een zaak die het niet waard is dat men er drie woorden over spreekt, u beiden zo’n dwaze handeling wilt begaan. Ik smeek u, geef mij uw hand”. Hij pakt van Outhoorns hand, die zich gewillig naar Leyssius laat voeren. Leyssius trekt echter zijn hand terug, draait zich om en loopt naar de afgesproken plek achter de buitenplaats Oudwijk.

Terwijl Van den Broek nog eens zijn pleidooi tot redelijkheid aan beide heren richt, trekt Leyssius zijn rok uit. Van den Broek staakt zijn vredesmissie en trekt zich terug. Achter zich hoort hij Van Outhoorn aan Leyssius vragen: “Ben je klaar?”, die de vraag beantwoordt met “ja”. Van den Broek heeft nauwelijks tien passen gezet of Leyssius is al geblesseerd.

De landarbeider Bernardus van der Lende, oud 17 jaar, die het een en ander van een afstand had gadegeslagen, zou in zijn getuigenverklaring laten optekenen dat hij “gezien had dat Van Outhoorn en Leyssius met getrokken degens stonden en al schermende, als dolle honden, op elkaar afvlogen, toen Van Outhoorn achteruitsprong waardoor Leyssius een steek van het degen van Van Outhoorn kreeg.”

Leyssius loopt nog een klein stukje voor hij neervalt. Hij staat opnieuw op, maar valt daarna weer neer om niet meer op te staan.

Van den Broek spoedt zich naar de gewonde Leyssius. Van den Broek schreeuwt de geschrokken en verstijfde Van Outhoorn toe om de koetsier te gebieden in de stad dokter Grave op te halen. Leyssius hoest en geeft bloed op. Om de wond te zien, scheurt Van den Broek het hemd los en ziet dat Leyssius een steekwond onder de linkerborst heeft. Leyssius vraagt Van den Broek bij hem te blijven en wat water te geven. Van den Broek stelt voor om samen naar de slootkant te gaan. Leyssius staat erop om op eigen kracht die richting op te gaan. Van tijd tot tijd bloed opgevende, sterft hij uiteindelijk in de armen van Van den Broek. Voordat hij zijn laatste adem uitblaast, reikt Leyssius Van Outhoorn nog de hand van vriendschap. Tegen Van den Broek zegt hij: “Meld aan mijn moeder dat ik veel over haar en mijn dochtertje heb gesproken.” Vervolgens geeft hij Van den Broek zijn gouden horloge. “Mijn vriend, neem dit, en denk aan je ongelukkige vriend, elke keer dat je ernaar kijkt. Doe dat nooit weg zolang je leeft.”

Vlucht naar het buitenland

Als dokter Grave arriveert, kan hij slechts de dood constateren. Op advies van de arts maakt Van Outhoorn zich uit de voeten en vlucht naar Kleef. Van den Broek vergezelt hem een deel van de reis, omdat Van Outhoorn erg emotioneel is. Voor ze ieder hun eigen weg gaan, overhandigt Van Outhoorn hem een brief waarin hij schriftelijk verklaart dat zijn vriend geen secondant is geweest in het gevecht, maar juist alles heeft gedaan om het duel te voorkomen.

Van Outhoorn wordt wegens doodslag uit Utrecht verbannen en krijgt een boete van tachtig gulden. Als hij opnieuw in aanraking met justitie komt, zal hij met het zwaard geëxecuteerd worden.

Komst naar Den Haag

Op 2 april 1798 dient Van Outhoorn een verzoek in bij de ‘Geconstitueerde Vergadering representeerende het Bataafsche Volk’ om de veroordeling volledig op te heffen en nietig te verklaren. Zij verlenen gratie onder de voorwaarden dat Van Outhoorn zich niet zal vestigen in de plaats waar Leyssius’moeder woonde, zolang er tussen hen geen akte van verzoening is gesloten.

Van Outhoorn vestigt zich in Den Haag, waar ook zijn moeder woont. In 1800 treedt hij daar in het huwelijk met Johanna Adriana Catharina Bichon Visch. En in 1802 wordt hij lid van de Nieuwe Sociëteit, waar hij van 1813 tot en met 1816 als commissaris dient. Een keurig burgerlijk leven, waarachter een dodelijk duel om een onbeantwoorde groet schuil.

Bewerkte tekst Ilse Naves-Scheidel op basis van originele tekst door Wim Hayes

De volledige versie van dit artikel, inclusief authentieke citaten, is gepubliceerd in magazine De Witte, december 2022. Deze is op te vragen via redactie@societeitdewitte.nl